Ik zat een keer met mijn 70 jarige grootmoeder in haar kleine huisje. Het regende en wij genoten van het geluid van de regen op het plastic dak. Mijn grootmoeder praatte veel over vroeger. “De winter is niet altijd een pretje. In het kamp is het een soort geest.”
Haar woorden bleven mij bij. Later vernam ik van Abu Mohammed Okal, het hoofd van de volkscomitee’s van de vluchtelingen in het Jabalya kamp, dat er in 2005 een ernstig tekort was aan brandstof en elektriciteit een tekort dat samenviel met hevige regenval. Het leidde tot een flinke overstroming toen de rioolpompen ermee ophielden. Grote stukkken van het kamp overstroomden en veel mensen konden een tijd hun huis niet meer uit, 600 huizen werden beschadigd en 3000 mensen werden noodgedwongen ondergebracht in UNWRA scholen. Het is nu geschiedenis hoewel veel inwoners van het kamp er nog vaak aan terugdenken.
Enkele dagen geleden overstroomde opnieuw een deel van het kamp als gevolg van hevige regenval. Als gevolg van gebrek aan elektriciteit hielden de pompen ermee op. Tientallen huizen overstroomden; veel families werden gedwongen thuis te blijven, omdat vervoer nauwelijks mogelijk was. Sommigen probeerden tevergeefs met zandzakken het water tegen te houden.
“Het water stroomde mijn huis in. Alles staat onder water. Wij moeten ergens anders heen want mijn kinderen kunnen hier niet in het water blijven.” Zegt de 67 jarige Palestijnse vluchteling Abu Ahmed. Zijn tienjarige dochter Reema zegt dat ze niet meer naar school kan: ”Door het water is alles beschadigd ook mijn boeken en mijn schooluniform. Hoe kunnen we nu verder leven? “ vraagt Reema zich af.
het gezondheidscentrum van de Palestine Medical Relief Society in Jabalya
Organisatie
De Palestine Medical Relief Sociaety PMRS is één van de grootste NGO’s op het gebied van de gezondheidszorg in Palestina en werkt vanuit de vrijwilligersnetwerken in de gemeenschappen, zowel op de Westoever als in Gaza. De PMRS werkt samen met de UMWRA (VN-organisatie), het Palestijns ministerie van gezondheidszorg en andere NGO’s.
In Gaza heeft de PMRS vijf eerstelijnsgezondheidscentra (waaronder het Dr. Haider Abd Al-Shafi centrum) met 105 werknemers. Deze hebben een breed aanbod zoals spreekuren, gezondheidsprogramma’s voor vrouwen, kinderen en chronisch zieken, laboratorium onderzoek, revalidatieprogramma’s gebaseerd op reïntegratie in de gemeenschap, en noodhulpactiviteiten (mobiele klinieken, EHBO-trainingen, humanitaire hulp), en gezondheidsvoorlichtingsprogramma’s (o.a. op scholen).
De situatie in Gaza in 2013
De Israëlische blokkade, die al zes jaar duurt, maakte de bevolking van Gaza afhankelijk van de invoer door de tunnels vanuit Egypte. Nu Egypte bezig is de tunnels te vernietigen en Israél de wapenstilstandsovereenkomst van november 2012 om de blokkade te versoepelen niet nakomt ontstaan in Gaza tekorten aan brandstof, electriciteit en bouwmaterialen. Dit heeft een grote negatieve gevolgen voor de verstrekking van basisvoorzieningen aan de bevolking, zoals gezondheidszorg. Maar het is ook rampzalig voor de economische situatie: duizenden mensen hebben de laatste tijd als gevolg van de tekorten hun bron van inkomsten verloren. Electriciteit is voor de inwoners van Gaza maar twaalf uur per dag beschikbaar. Door de sluiting van de grensovergang bij Raffah kunnen medische patienten, die een behandeling buiten Gaza nodig hebben, het land niet uit.
Gezondheidssector
Gebrek aan brandstof treft ook de continuïteit in het werk van de ziekenhuizen. Instrumenten die worden aangedreven door elektrische generatoren zijn meer vatbaar voor defecten.
Dr. Haidar Abd Al-Shafi centrum
Dit centrum, dat bedoeld is voor medische hulp voor de 120.000 bewoners van het vluchtelingenkamp in Jabalya, heeft ook te lijden van de bovengenoemde situatie. Maar het werk gaat door. De medische staf van ongeveer 20 personen werkt in twee ploegen. Patienten worden in de kliniek behandeld, maar er zijn ook programma’s voor preventieve gezondheidszorg in het vluchtelingenkamp, gericht op jongeren, vrouwen en families, en het programma voor revalidatie binnen de gemeenschap. De eerste tien maanden van 2013 bezochten ongeveer 36.000 personen de kliniek. Dit jaar startte een programma gericht op huiselijk geweld tegen vrouwen, zowel op het gebied van onderzoek als preventie.
De meest recente strafmaatregel tegen de Gazastrook lijkt op een bekend scenario met als doel om de Gazastrook te vernederen tot tevredenheid van Israel, de Palestijnse Autoriteit van Mahmoud Abbas en de door militairen gecontroleerde Egyptische regering. Maar de werkelijkheid is veel onheilspellender.
Deze keer neemt de collectieve bestraffing de vorm aan van ongezuiverd rioolwater dat de verarmde en door energiecrisis geplaagde strook van 360 km2 en haar 1.8 miljoen inwoners overspoeld. En dat terwijl de crisis als gevolg van het ernstige tekort aan electriciteit en brandstof het gebied al praktisch onleefbaar maakt. Een uitgebreid VN rapport stelde vorig jaar dat als er geen accute maatregelen worden genomen de Gazastrook tegen het jaar 2020 onleefbaar zal zijn. Sinds dat rapport uitkwam, in augustus vorig jaar, is de situatie ernstig verslechterd.
Gedurende de afgelopen jaren en vooral vanaf 2007 toen Israel de blokkade verscherpte, is de wereld gewend geraakt aan twee verschillende werkelijkheden: het door meerdere partijen gesteunde plan om de positie van Hamas in Gaza te verzwakken en tegelijkertijd het verbazingwekkende vermogen van de bevolking van Gaza om zich staande te houden tegen gevangenschap, blokkade en oorlog.
De Israëlische mensenrechtenactiviste Angela Goldstein bracht bezoek aan Groningen
Angela zet zich al jaren in om bekendheid te geven aan de situatie waarin de Jahalin bedoeïnen moeten leven en om hun schreeuw om recht te ondersteunen. Veel mensen die de Palestijnse gebieden bezochten kennen Angela als een bevlogen rondleidster. Zij liet hen zien wat de Israëlische bezetting in de praktijk inhoudt. Nu bezoekt zij Nederland samen met vertegenwoordigers van de Jahalin bedoeïnen om de documentaire die zij over hun lot gemaakt heeft te presenteren. (zie hieronder)
Angela Goldstein aan het woord tijdens de informatiebijeenkomst
De documentaire gaat over de plannen van de israelische regering om de Jahalin bedoeïnen gedwongen te verplaatsen. De Israelische regering beschouwt hen als illegalen die voor hun uitbreidingsplannen van Jeruzalem in de weg zitten. Volgens Goldstein is de enige manier om dit en de verdere kolonisatie van de Westbank tegen te houden internationale druk op Israel bijvoorbeeld door Europese politici aan te spreken op de economische samenwerking met Israel en door het bevorderen van BDS (Boycot Disinvestment en Sancties) ”Het zijn de Europese burgers die de steun aan de Palestijnen betalen terwijl Israel de oorzaak is van hun ellende. Als het Israelische burgers geld gaat kosten omdat hun economie leidt onder de BDS maatregelen zal de steun voor het nederzettingenbeleid afbrokkelen.” aldus Goldstein
” Nowhere left to go”
Een documentaire over de Jahalin bedoeïnen
Het leven van de Jahalin Bedoeïnen in de Negev-woestijn wordt ernstig bedreigd. Om als nomadisch volk een fatsoenlijk leven te kunnen leiden hebben zij met hun kudden bewegingsruimte nodig. Maar de Israëlische regering maakte een einde aan de mogelijkheid om hun leven als nomaden te leven door steeds meer van hun grond af te pakken en te bestemmen voor de bouw van nederzettingen. De omstandigheden waar ze nu in moeten leven zijn erbarmelijk, maar het kan nog slechter. Het “landje pik” gaat maar door.
Gaza – De familie Falfala woont naast een kleine winkel. De veertienjarige Omar zit voor de winkel om koekjes te verkopen aan kinderen om zo zijn zieke vader te helpen zijn gezin te onderhouden. Maar het kind – eigenlijk al een jonge man – kan de dood van zijn broer Hamza niet vergeten. Die overleed nog geen maand geleden aan de gevolgen van armoede. Omar zit gefrustreerd in gedachten verzonken en denkt aan zijn overleden broer. Die hielp hem vroeger bij de verkoop van snoep aan arme kinderen uit hun wijk.
De keuken van de familie Falfala
Ze zijn arm geworden nadat de ziekte van hun 47-jarige vader Khalid Falfala hen dwong te stoppen met school, nog voor het eind van de basisschool, om te gaan werken. Van een gekookte maaltijd kunnen ze alleen maar dromen.
Omar, mager en schriel van bouw, praat erg boos over zijn broer die door de armoede stierf. Omar: “Hamza – mag God genade met hem hebben – leed pijn door zijn ziekte, en mijn vader keek huilend naar hem, omdat hij niet kon voldoen aan de vraag van mijn moeder om haar zoon naar het ziekenhuis of een dokter te brengen. Mijn vader heeft al geen geld om ons te voeden, dus hoe moet hij een behandeling of medicatie betalen?”
Vader Khalid wordt volgens de Arabische gewoonte ook wel Abu Omar genoemd, vader van Omar, zijn oudste zoon. Hij is verdrietig over zijn onvermogen om zijn familie te redden, terwijl dat het dierbaarste is in zijn leven. Plotseling draait hij zich om naar een hoek van de kamer waar op een versleten matras zijn zoon Mohammed zit , nog geen vier jaar oud. Emotioneel zegt hij: “Hij heeft…., hij is te ziek om te lopen… Ik ben bang dat hij dood gaat, hij heeft infecties, net als Hamza. Hij heeft last van zijn schildklier en niemand kan helpen bij zijn behandeling. En wat kan ik doen, als we al het voedsel missen dat we nodig hebben? Ik kan alleen maar hopen dat ik dood ben voor ik de dood van mijn kinderen zie.”
Achter een stuk textiel ter hoogte van de kamer slapen nog twee van de acht kinderen. Umm Omar zet zich er ondertussen toe om de restanten van kamille te zoeken, om die te koken op haar kleine roestige kachel. Het lijkt er op dat ze graag iets wil aanbieden aan de journalist die te gast is. Het huis en het erf zijn volgens gezinshoofd Khalid ‘nog niet geschikt om dieren in te laten wonen.’
“ I am impressed”, zei Sadi Dabboor toen hij eindelijk op het station van Groningen arriveerde voor een kort bezoek aan de zusterstad van Jabalya, een van de grotere gemeenten in Gazastad. Gemeentesecretaris Sadi Dabboor van Jabalya arriveerde dinsdag 16 april op Schiphol Airport. Een delegatie van Stichting Groningen- Jabaya wachtte hem op. In het kielzog zou ook de burgemeester van Jabalya aanwezig zijn, maar door ( prive- ) omstandigheden moest hij verstek laten gaan.
Dabboor neemt de honneurs waar. Hij sprak uitvoerig met het stichtingsbestuur over de situatie van de gemeente Jabalya, over het Nama’a college en over de problemen waar de gemeente al sinds jaar en dag mee kampt namelijk gebrek aan vers drinkwater en ophopende afvalbergen.
Sadi Dabboor overhandigt waarnemend voorzitter Bert Giskes een Palestijnse sjaal met het logo van de gemeente Jabalya
NAMA’A College
Over het Nama’a College is het een en ander verduidelijkt. We weten meer over het onderwijssysteem in Gaza. Het Ministerie bepaalt veel, maar particulier onderwijs (zoals Nama’a) heeft meer beleidsvrijheid dan publieke scholen.
Het vertrek van de huidige directeur is bevestigd, maar hangt samen met het systeem aldaar dat de Dean voor een periode van een aantal jaar wordt aangesteld en van buiten moet komen. De termijn loopt af, dus moet de huidige directeur ook weg bij het College. Een opvolger is nog niet benoemd.
Sadi neemt in elk geval mee terug naar Jabalya dat de gemeente de nieuwe leiding van het Nama’a College onder de aandacht zal brengen, over het belang van de Groningen-connectie en aan welke voorwaarden voldaan moet worden bij de toekenning van € 65.000,- aan het Nama’a college zoals eerder door de gemeenteraad van Groningen is bepaald.
Dabboor had de reis naar Groningen goed voorbereid. Zowel in zijn korte inleidend verhaal als in de daarbij behorende film van ruim tien minuten en de algehele presentatie gaf hij een goed beeld van de situatie in Gaza.
Vakorganisatie
Politiek valt er wel wat te nuanceren met betrekking tot de rol van Hamas in de gemeente Jabalya. De ambtenaren van Jabalya hebben een vakorganisatie die het gebruikelijke vakbondswerk doet, maar ook waakt over de politieke onafhankelijkheid. Alle gemeenten in de Gazastrook, dus ook Jabalya, zijn slachtoffer van de blokkade en de oorlog en voortdurende bombardementen omdat door te weinig geld bij de overheid er helemaal niets naar gemeentebesturen gaat. Echter, Jabalya is de enige gemeente in de hele Gazastrook die vanuit de Palestijnse Autoriteit voor projecten zo’n € 1.400.000 per jaar krijgt. Projecten op het gebied van onderwijs, jeugdzorg en gezondheidszorg.
Armoede
Vanwege de armoede van de bevolking is er voor de gemeente weinig mogelijkheiden om belastingen te innen. De enige mogelijkheid voor belastingheffing is op water. De gemeente kampt met een jaarlijks deficit en is in feite bankroet. De gemeente Jabalya begrijpt dat samenwerken met de gemeente Groningen in de huidige politieke context onmogelijk is, maar wil wel graag samenwerken met NGO’s zoals wij. Dabboor verwoordde ook ideeën voor enkele projecten zoals bijvoorbeeld meer vrouwen in de gemeentepolitiek met als doel om de vrouwen te leren over democratie en meer vrouwen te betrekken bij politieke besluitvorming. Bij dit project wil men 100 “trainsters” opleiden die weer andere vrouwen kunnen opleiden. En uit die honderd opgeleiden moeten drie vrouwelijke gemeenteraadsleden komen.
Dabboor bezocht met een delegatie het afvalverwekingsbedrijf Attero, onder de rook van Groningen. Afval is volgens de gemeentesecretaris een groot probleem in Gaza. Het zorgt voor ongedierte, ziektes en een sterk verwaarloosde indruk. “We verzamelen per maand tonnen afval. We hebben 50 man in dienst die voor ons het huisafval verzamelen dat wij vervolgens verbranden”. Dat brengt een enorme luchtvervuiling met zich mee. Dabboor was onder de indruk hoe de Groningers met hun afval omgaan waarin recycling uitgangspunt is. Bovendien werkt Attero met een vegistingsoven voor biogas die zij weer leveren aan de streekbussen en taxi’s in de stad. Dabboor nodigde ter plekke de adviseur van Attero uit een tegenbezoek te brengen aan Gazastad om het afvalprobleem te tackelen.
De komende dagen staan nog bezoeken op het programma aan vrouwencentrum Jasmijn en aan vertegenwoordigers van politieke partijen.
In het kader van de serie “dossier het beloofde land” van het Groninger forum i.s.m. EAJG en St. Groningen-Jabalya hield de Israelische architecte Malkit Shoshan op donderdag 14 april voor een geïnteresseerd publiek een lezing over haar project “Atlas of the conflict”
Dit project heeft als uitgangspunt het beschrijven van het conflikt Israel/Palestina niet met woorden maar met behulp van kaarten. Als jonge architecte kreeg zij als stagaire een opdracht om een winkelcentrum te ontwerpen in een wijk ten zuiden van Tel Aviv. Tot haar eigen verrrassing ontdekte zij dat het braakliggende terrein vroeger een Palestijnse begraafplaats was geweest. Als het een joodse begraafplaats was geweest zou er niet gebouwd mogen worden. Dit zette haar ertoe aan om verder onderzoek te doen. Zij ontdekte dat er veel meer verborgen sporen van de verdwenen Palestijnse maatschappij van voor ‘48 waren. Afkomstig uit een standaard zionistisch gezin wist zij niets over het Palestijnse verleden. Dat was voor haar volkomen nieuw.
Gedreven door nieuwsgierigheid is zij verder gaan zoeken en dat resulteerde uiteindelijk in het boek. Mevr. Soshan gaf een introductie hoe haar boek te gebruiken. Het bestaat uit twee delen: een atlas met kaarten die de ontwikkeling van de Israëlische en de Palestijnse aanwezigheid in de loop der tijd illustreren en een lexicon. Daarbij wordt over en weer voor toelichting verwezen. Als voorbeelden: de kaart van de meer dan 500 vernietigde Palestijnse dorpen, van de groei van de Israëlische nederzettingen, van de bestaande maar niet erkende Palestijnse dorpen (die dan ook op geen enkele officiële kaart staan en geen voorzieningen zoals electriciteit en water hebben).
De Atlas heeft als hoofdstukken: grenzen, de Muur, patroon van nederzettingen, typologie van nederzettingen, demografie, landeigendom, landschappen, water, archeologie en Jeruzalem.Het is een manier om het conflikt op een andere manier te presenteren. Als je alle ontwikkelingen in het conflikt met tekst wil beschrijven heb vele pagina’s nodig maar gebruik je kaarten dan blijkt dat je datzelfde verhaal veel krachtiger kunt laten zien.
Zij benadrukte dat zij geen politiek boek heeft willen maken maar simpelweg de feiten op een rij heeft willen zetten. Dat is juist, maar feiten opschrijven of in dit geval optekenen in de politieke context in Israel is uiteindelijk een hele politieke daad. Dat het een politiek boek is blijkt wel uit de positieve reacties van Palestijnse zijde en de hate mail die ze ook heeft gekregen. Ook veelzeggend was dat zij desgevraagd bevestigde dat zij nu al weer een poos in Nederland woont bij haar nederlandse man, maar dat zij het niet erg vond om Israel te verlaten omdat zij zich steeds ongemakkerlijker had gevoeld in Israel. Als je eenmaal veel weet over wat er verborgen wordt gehouden kun je minder makkelijk met de officiele realiteit leven.
Malkit Shoshan heeft een indrukwekkend document gemaakt. Een document dat bovendien nog zal worden aangevuld en wellicht ook via internet een vervolg krijgt want ‘’zolang het conflikt bestaat is dit project niet af.’’
Atlas of the conflict. 010 Publishers, Rotterdam 2010, ISBN 987-90-6450-688-8. € 34,50.
De UNWRA geeft noodhulp aan Palestijnse vluchtelingen in de Gazastrook. Veel vluchtelingen zijn volkomen afhankelijk van de organisatie. De UNRWA zou liever structurele hulp bieden zodat het land kan worden opgebouwd en de situatie zou verbeteren. Helaas verslechteren de omstandigheden alleen maar. De blokkade maakt iedere opbouw namelijk onmogelijk. Israel laat nauwelijks iets door. Daarom pleit de UNRWA er al sinds 2007 voor dat de blokkade wordt opgeheven. De UNRWA bestaat bij gratie van financiering door donorlanden. Nu die donorlanden het financieel moeilijk hebben door crisis, krijgt ook UNWRA veel minder geld binnen. Gevolg: bezuinigingen die ten koste gaan van de allerzwaksten. De organisatie bespaart op de eigen faciliteiten maar ook op medische ondersteuning aan de vluchtelingen, schoolboeken en hulp aan gehandicapten. Zelfs de voedselhulp zou kunnen verdwijnen. Wat dit in de praktijk voor gevolgen heeft, leest u hieronder in het verslag van Uthman Hanin uit Jabalya
Vluchtelingenkamp Jabalya. Kinderen spelen in een smal stoffig steegje. De kleine huizen leunen tegen elkaar en laten nauwelijks ruimte voor doorgang. Het zijn huizen gevuld met de problemen van het leven. Achter alle muren vindt men leed. De veertigjarige Umm Ibrahim is moeder van vijf dochters en een zoon. Zij is weduwe sinds haar man tien jaar geleden stierf. De opvoeding en opleiding van haar kinderen zijn haar levensdoel. Haar dochters hebben recht op onderwijs, vindt ze. Bittere armoede en ontberingen dwongen haar echter om haar dochter van school te halen, omdat ze de leermiddelen niet meer kan betalen. Umm Ibrahim klaagt over de economische omstandigheden. Die maken het leven voor haar en haar zes kinderen elke dag zwaarder: “De situatie in het vluchtelingenkamp is uiterst moeilijk, en het gaat er niet gemakkelijker op worden. Iedere dag is een worsteling. Om kinderen naar school te laten gaan, moet je als ouder steeds meer zelf betalen een aanschaffen, terwijl de hulp van UNRWA afneemt en schaars wordt.”
Jabalya ligt in het noordoosten van de Gazastrook. Het is het grootste vluchtelingenkamp in Gaza. Het is dichtbevolkt met duizenden mensen in kleine huizen. UNWRA heeft er veel scholen. Umm Ibrahim: “UNRWA hielp mijn kinderen met de schoolbehoeften, zoals schijfpapier, schriften, en de organisatie distribueerde voedsel. Ze waren echt een helpende hand, uitgestrekt naar arme mensen zoals ik en anderen in het kamp. Maar nu is de steun aan leermiddelen minimaal geworden en dreigt helemaal te stoppen. Haar zoon onderbreekt haar en geeft een voorbeeld: “We moeten nu zelfs het papier betalen waarop onze examenvragen worden gedrukt. Aan de andere kant stopt de financiële steun. Ook krijgen we geen gratis schooltassen meer, zoals vroeger. Het niveau van de school loopt steeds verder terug. Wie kan zich nu concentreren met wel vijftig leerlingen in één klas?”
De vijftigjarige Naäma Kaferna sluit zich daarbij aan. Zij woont ook in het kamp en is een weduwe met zes dochters. Ze is ontevreden nu het steeds zwaarder wordt om de schoolspullen te bekostigen. De kinderen moeten een schooluniform hebben, zakgeld en nu moeten ze dus ook het drukken van de examenvragen zelf betalen. Kafarna: “UNRWA hielp de studenten vroeger meer dan tegenwoordig. Vroeger ontvingen ouders iedere drie of vier maand 100 NIS (Nieuwe Israëlische Shekel) voor iedere leerling, als steun voor het grootbrengen van de kinderen.” Kafarna verwacht dat het de komende tijd in alle opzichten nog erger wordt. Doordat de steun terugloopt verslechtert ook haar sociale positie. Daarnaast loopt de kwaliteit van het hele schoolsysteem terug.
De UNWRA is zelf ook somber over de toekomst. Volgens de hulporganisatie zullen er steeds meer hulpprogramma’s voor de Palestijnse vluchtelingen vervallen door geldgebrek. UNWRA helpt Palestijnse vluchtelingen al sinds haar oprichting op 8 december 1949. Toen namen de Verenigde Naties resolutie 302 aan. Daarin werd de hulp aan Palestijnse vluchtelingen geregeld. Die vluchtelingen zijn te vinden in de Gazastrook, op de Westelijke Jordaanoever, en in Libanon, Syrië en Jordanië.
Abu Saleh (57) is leraar Engels. Hij klaagt: “De klassen in de UNRWA-scholen puilen uit. Het aantal leerlingen is tegenwoordig erg groot en het aantal lokalen is te klein om het groeiende aantal leerlingen op te vangen. Daardoor moet UNRWA de school in een tweeploegendienst laten draaien, met een ochtend- en een avondklas.” Saleh ziet wel manieren om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren: meer schoolgebouwen, minder leerlingen in de klas, afschaffing van de avondklassen, workshops en bijeenkomsten om de communicatie met ouders te verbeteren, betere gezondheidszorg en – ook niet onbelangrijk – controle op het schoonhouden van de toiletten. Saleh: “De kinderen van de vluchtelingen kunnen nu tot ongeveer hun vijftiende rekenen op gratis basisonderwijs. Maar er zijn in Jabalya slechts veertig scholen met ongeveer 30.000 leerlingen.”
Khalil Al Halabi is Vice-directeur Onderwijs van UNRWA in Jabalya. Hij is de man die de plannen van Abu Saleh zou kunnen uitvoeren. Sterker nog, hij zou het graag willen. Al Halabi onthulde daarom onlangs een plan voor de bouw van honderd scholen in de Gazastrook. Daarmee zou er een einde komen aan de overbevolking van de klaslokalen. En er zou een eind komen aan het systeem van avond- en ochtendklassen. Leerlingen zouden voortaan allemaal ’s morgens naar school moeten gaan. De plannen van Al Halabi lopen echter tegen één groot probleem op: geld. Al Halabi moet zich tevreden stellen met wat zijn organisatie wel doet: “Voor UNRWA zijn alle leerlingen belangrijk en de organisatie verstrekt hen de dagelijkse levensmiddelen. Aan het begin van ieder leerjaar houden we bovendien een gezondheids-onderzoek, een enquête met vragen over de persoonlijke gezondheid en een grondig medisch onderzoek van dertig minuten. We testen bloed, urine, ontlasting, zicht en gehoor.” Al Halabi wijst er op dat UNRWA overal de financiële steun in contanten heeft opgeschort, omdat de organisatie geldproblemen ondervindt door de financiële crisis.
Geldgebrek van de UNRWA heeft er toe geleid dat de hulp aan de Palestijnen overal veel minder is geworden, niet alleen in Gaza maar ook op de andere plekken waar de vluchtelingen wonen. Er is zelfs een kans dat de noodprogramma van de voedseldistributie moet stoppen. Dat zou een ramp betekenen, niet alleen voor alleenstaande moeders met kinderen zoals Umm Ibrahim en Kafarna. In Gaza is de werkeloosheid 70%. Daardoor is een groot aantal gezinnen volledig op de voedselhulp aangewezen. Wat gebeurt er met hen, als de hulp ophoudt?
De UNRWA in Gaza in cijfers
1,167,572 geregistreeerde vluchtelingen
Acht kampen
243 scholen met 218,048 leerlingen
21 gezondheidscentra
*Uthman Hanin is lid van het Doha Centre for Media Freedom Palestine een journalistencollectief. Op ons verzoek schrijven zij een serie artikelen over de situatie in de Gazastrook.
Tijdens de kalmere perioden in de Gazastrook gaat het openbare leven, vooral binnen de steden zijn gangetje. Tot op zekere hoogte. Er zijn echter gebieden in de Gazastrook waar je onafhankelijk van relatieve kalmte altijd levensgevaar loopt. Iedere dag betreden vele mannen, vrouwen en kinderen deze gevarenzones, om hun families van inkomen te voorzien.
wat ooit landbouwgrond was is nu een lege bufferzone
De meest zichtbare gevarenzone is het grensgebied tussen de Gazastrook en Israël. Daar heeft het Israëlische leger een zogenaamde ‘bufferzone’ gecreëerd, die tussen de 0,5 en 2 kilometer in de kuststrook reikt. Het gebied bestrijkt bijna eenderde van Gaza’s landbouwgrond. Alles wat zich in die zone begeeft, wordt met scherp beschoten vanuit wachttorens die over de gehele lengte van de grens staan.
De term bufferzone doet voorkomen alsof militaire doeleinden of een veiligheidsoverweging aan dit ‘shoot to kill’ beleid ten grondslag liggen. De vele burgers (inclusief kinderen) die tijdens het werken op het land, verzamelen van schroot of doen van huishoudelijke bezigheden zijn verwond en gedood door het leger, illustreren een ander beeld. De landbouwgrond in het gehele gebied is met de grond gelijk gemaakt en duizenden mensen hebben hun woningen moeten verlaten vanwege de levensgevaarlijke omstandigheden en vernietiging van hun huizen en grond.
Enkele weken geleden bezocht ik één van de families die hun huis en grond achter heeft moeten laten. De vader van het gezin probeert af en toe nog op het land te werken, maar realiseert zich dat hij daarmee zijn leven riskeert. Hij zegt: ,,We hebben geen andere keus. Waar moeten we dan naartoe en waar moeten we van leven? Dit is onze grond”.
Het gezin woont nu op de benedenverdieping van een huis een eindje bij de bufferzone vandaan. Het heeft geen geld om de huur ervan te betalen nu hun landbouwgrond vrijwel ontoegankelijk is geworden. De vader en dochters zien er slecht uit. Donkere wallen onder hun ogen, erg mager en afwezig. De moeder heeft de broek aan in huis en probeert het haar gasten zo goed en kwaad als het gaat naar de zin te maken. Aan de gastvrijheid wordt niet getornd. Na het eten van een warme maaltijd en drinken van (heel veel) thee vertelt de moeder wat meer over de gezondheid van de kinderen. Na alles wat ze aan beschietingen, dood en verderf in de bufferzone hebben meegemaakt, hebben haar dochters psychische en lichamelijke klachten. De angst zit in haar kinderen en ze weet niet hoe ze die er ooit nog uitkrijgt.
De andere gevarenzone ligt in de viswateren van de Gazastrook, in dezelfde onbezorgde Mediteraanse zee als die van onze vakantiebestemmingen. Vissers uit de Gazastrook gooien er al sinds mensenheugenis hun netten uit. De afstand die vissers tegenwoordig vanaf het land kunnen afleggen totdat ze worden tegengehouden door de kogels, waterkanonnen, vernielingen en arrestaties van de Israëlische marine, wordt steeds kleiner.
De afgelopen decennia heeft Israël het overgrote deel van de Palestijnse territoriale wateren tot no-go area verklaard. Daarmee is het voor veel vissers onmogelijk geworden visvangsten binnen te halen. De beste en meeste vis bevindt zich namelijk in het ‘verboden’ gebied. Gaza’s rijke historie in de visserij wordt langzaam tot een gesloten hoofdstuk verklaard. De ruim achtduizend mannen die in de visindustrie werken ondervinden de grootste moeite om hun families van een inkomen te voorzien. De vissers op zee mogen al blij zijn als ze heelhuids en zonder schade aan de boten terug kunnen keren naar hun havens.
Mohammed el Najjar visser in Rafah
Mohammed el Najjar is één van de oude rotten in het vak. Wanneer ik hem ontmoet, zit hij in alle rust in een rieten hut in Rafah een visnet te repareren. Enkele mannelijke familieleden liggen aan de andere kant van de hut een dutje te doen. Voor mijn gevoel loop ik een onbezorgd tafereel binnen, met het geluid van de zee op de achtergrond. Maar zoals vaker hier in de Gazastrook komen na enkele minuten praten grimmige verhalen van een weerbarstige realiteit naar boven.
Mohammed vaart niet meer. Zijn boot en materieel zijn tijdens het vissen geconfisqueerd door de Israëlische marine en liggen al maanden in de Israëlische haven Ashdod. Zijn twee zoons hebben nog wel een boot waarop ze mee kunnen varen om te vissen, maar hij is erg bezorgd over ze. Ze lopen het risico gearresteerd of aangevallen te worden, zelfs wanneer ze in de door Israël aangewezen watergrenzen blijven. Met Mohammed en zijn familie zijn nog vijfenzestigduizend andere Palestijnen direct de dupe van ingeperkte viswateren.
Tenslotte: de donkere, stoffige smokkeltunnels ten zuiden van Rafah. Die zijn als paddestoelen uit de grond geschoten sinds de afsluiting van de Gazastrook voor grote tekorten zorgt. De tunnels zorgen voornamelijk voor de toevoer van bouwmaterialen en etenswaren die door Israël niet of onvoldoende binnengelaten worden.
een smokkeltunnel bijna 25 meter onder de grond
Wanneer een collega en ik door het gebied van de tunnelingangen (ten zuiden van Rafah) binnengaan worden we soms met argwaan tegemoet getreden en soms hartelijk verwelkomd. Bij een aantal tunnels reageren de mannen enigszins vijandig en nerveus. Enkele sjouwers zeggen dat een dag na het bezoek van buitenlandse journalisten vlakbij hun tunnel bombardementen werden uitgevoerd door de Israëlische luchtmacht. Sindsdien vertrouwen ze niemand meer en staan ze niet toe dat er gefotografeerd wordt.
Het zijn niet alleen de Israëlische luchtaanvallen die voor doden en gewonden zorgen. Ook instortingsgevaar en sporadische maatregelen van de Egyptische autoriteiten dragen bij aan de risico’s.
Het enige voordeel van het werken in de tunnels, is dat je er even kunt ontsnappen aan de zomerhitte. Daar probeerden enkele smokkelaars dan ook zoveel mogelijk grappen uit te halen toen ik ze vroeg naar hun ondergrondse leven. Met humor kom je een heel eind. Tussen de hondervijfig en achthonderd meter om precies te zijn. Dat is de lengte van de smokkeltunnels tussen de Gazastrook en Egypte. De tunnels voor zwaar materiaal, zoals cement en stenen, bevinden zich op zo’n 24,5 meter diepte.
Zodra ik in een takellift enkele meters was afgedaald begonnen mijn longen zich al te verzetten tegen het stof. Daar hebben we weer zo’n buitenlandse softie, zullen die mannen in die tunnel gedacht hebben toen ze mij hoorden hoesten en proesten. Ook al lag het antwoord voor de hand, toch vroeg ik de smokkelaars hoe ze zich over de risico’s heen zetten; wat maakt dat ze iedere dag weer die tunnel weer in durven gaan? Een man die bezig was frisdrank naar boven te takelen antwoordde zonder aarzelen: ,,Ik sterf liever tijdens m’n werk dan dat ik om kom van de honger”. Dat de geldnood hoog is onder deze mannen blijkt wel uit het loon wat ze ontvangen: voor een week werken (12 uur per dag) ontvangen ze ongeveer 140 dollar. En daar moeten veel monden van gevoed worden. Je eten of je leven, daar komt het op neer in deze krimpende kuststrook.